Lang hield het wetsvoorstel dat het kabinet naar de Tweede Kamer heeft gestuurd ons in spanning. Aanvankelijk zou de compensatie van de transitievergoeding per 1 juli 2026 voor werkgevers worden afgeschaft. Alleen kleine werkgevers met minder dan 25 werknemers zouden de compensatie dan nog kunnen aanvragen. Deze wetswijziging heeft echter geen doorgang gevonden. Vorige week kwam het kabinet met een nog ingrijpendere wijziging van het wetsvoorstel. Het kabinet kiest er nu voor om de compensatieregelingen per 1 januari 2027 voor alle werkgevers af te schaffen. In dit artikel richten wij ons op de compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid.
Uitleg compensatie transitievergoeding
Langdurig zieke werknemers die worden ontslagen of van wie het contract niet wordt verlengd, hebben recht op een transitievergoeding. De hoogte hiervan is afhankelijk van het maandsalaris van de werknemer en de duur van het dienstverband. Hoe hoger het maandsalaris en hoe langer het dienstverband, hoe hoger de transitievergoeding.
Voor werkgevers wordt deze extra kostenpost vaak als nadelig ervaren. De werkgever heeft immers al twee jaar lang loon moeten doorbetalen en moeten voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen. Daarom kon de werkgever compensatie aanvragen bij het UWV voor de betaalde transitievergoeding. Voldoet de werkgever aan alle voorwaarden, dan krijgt hij het bedrag geheel of gedeeltelijk terug van het UWV.
Reden van het voorstel tot afschaffing door het kabinet
De belangrijkste reden voor deze wijziging is van financiële aard. Het afschaffen van de compensatieregelingen maakt onderdeel uit van de bezuinigingen die het kabinet heeft afgesproken. Eerder was het plan om alleen grote werkgevers uit te sluiten van de regeling. Dat zou de overheid al honderden miljoenen euro's per jaar besparen. Nu het kabinet de regeling voor alle werkgevers wil afschaffen, loopt die besparing verder op.
Daarnaast kijkt het kabinet naar een andere invulling van de transitievergoeding. Het idee is dat werkgevers meer worden gestimuleerd om werknemers naar ander werk te begeleiden, in plaats van achteraf een vergoeding te betalen wanneer het dienstverband eindigt. Het afschaffen van de huidige compensatieregelingen is volgens het kabinet een eerste stap in die richting. Daarbij wordt onderzocht of werkgevers die veel doen aan re-integratie en begeleiding naar ander werk in de toekomst minder of zelfs helemaal geen transitievergoeding meer hoeven te betalen.
Overgangsrecht
Om de overgang voor werkgevers te verzachten, voorziet het gewijzigde wetsvoorstel in overgangsrecht. Werkgevers kunnen na 1 januari 2027 nog aanspraak maken op de compensatieregeling, mits de datum waarop het opzegverbod wegens ziekte eindigt vóór 1 januari 2027 ligt. In de praktijk betekent dit dat de volledige wachttijd van twee jaar ziekte uiterlijk op 31 december 2026 moet zijn verstreken. Hierbij is geen rekening gehouden met een eventuele loonsanctie van het UWV. Als de loondoorbetalingsverplichting daardoor wordt verlengd, kan dit gevolgen hebben voor de toepassing van het overgangsrecht.
Wel moet de werkgever daarna snel handelen: de reguliere aanvraagtermijn blijft gelden. Dit betekent dat de compensatieaanvraag uiterlijk binnen zes maanden na de daadwerkelijke en volledige betaling van de transitievergoeding bij het UWV moet zijn ingediend.
Hoe nu verder?
Hoewel het gewijzigde wetsvoorstel nog door de Tweede en Eerste Kamer moet worden goedgekeurd, is de kans aanzienlijk dat de compensatieregeling per 1 januari 2027 definitief verdwijnt. Werkgevers doen er daarom goed aan om alvast na te denken over de gevolgen hiervan.
Er wordt verwacht dat hierdoor weer veel 'slapende dienstverbanden' zullen ontstaan, waarbij de loondoorbetalingsverplichting na twee jaar ziekte is geëindigd, maar het dienstverband blijft bestaan zonder dat de werknemer nog werkzaamheden verricht of loon ontvangt. Omdat het dienstverband niet wordt beëindigd, is ook geen transitievergoeding verschuldigd. Hoewel de Hoge Raad in de bekende Xella-beschikking oordeelde dat een werkgever moet meewerken aan beëindiging van het dienstverband mét transitievergoeding, leunde die uitspraak zwaar op het feit dat de werkgever dit gecompenseerd kreeg. Valt die compensatie weg, dan ontstaat er een nieuwe juridische discussie. Werknemers zullen mogelijk vaker een beroep op de rechter moeten doen om beëindiging van het dienstverband af te dwingen.
Tegelijkertijd onderzoekt het kabinet hoe de transitievergoeding fundamenteel kan worden hervormd naar een 'werk-naar-werk-budget'. In de praktijk kan dit betekenen dat werkgevers die aantoonbaar maximaal investeren in spoor 2-trajecten, bijscholing of omscholing, in de toekomst mogelijk worden vrijgesteld van de transitievergoeding. De focus verschuift zo van een achteraf betaalde ontslagvergoeding naar een investering aan de voorkant.
Op korte termijn ontstaat er helaas een periode van onzekerheid. Bij een hoge transitievergoeding kan het voor werkgevers aantrekkelijk zijn om het dienstverband slapend te houden en de verdere ontwikkelingen af te wachten, in de hoop dat toekomstige wetgeving de vergoeding verlaagt of zelfs laat vervallen. Daarbij bestaat wel het risico dat een werknemer alsnog via de rechter beëindiging van het dienstverband afdwingt, inclusief een proceskostenveroordeling.
Ons advies is daarom om in huidige gevallen tijdig te handelen zolang het overgangsrecht nog van toepassing is en voor toekomstige gevallen meer dan ooit in te zetten op een zorgvuldig en volledig re-integratiedossier. Mocht je hierover willen sparren, dan staan de arbeidsjuristen van ESJ je graag te woord.